Bruur Blommers
‘Ik rommel wa hene, het is wel goed zo’
Bruur Blommers woont al 20 jaar verscholen in een klein huisje aan een achterafstraatje in ons dorp. “Ik lag toen in een scheiding en de verkoper ook,” weet hij. “We probeerden allebei wat geld over te houden. Ik kocht het huisje van zijn vrouw en zette het op naam van mijn broer. Daar kwamen we allebei goed mee weg.”
Van timmerman naar horecaman
De horecaman werd geboren in de Fokkershoek, met negen broers en vier zussen. “Ik heet Gerard, maar dat weet niemand. Ik kan me niet anders herinneren dan dat ik ‘Bruur’ ben genoemd. Ik volgde een opleiding tot timmerman, maar kwam al snel op een dragline terecht. Dat deed ik tien jaar, met een hele hoge kraan, waarmee ik ook jaren in Duitsland werkte. Maar die Duitsers zijn vérrekes, dat beviel me niks.” In ’73 nam hij samen met zijn vrouw Tonny café-zaal Stanserhorn aan de Heeswijk- Dintherse Heibloemsedijk over en volgde een leven in de horeca, met ontelbare kroegverhalen. Met boze mannen die met een pistool in de hand hun gelijk dachten te halen. “Maar ik ben van niemand bang. Ik zei: ‘Weg dat ding, anders zal ik mijn geweer eens gaan halen.’ We zagen het in die tijd niet zo nauw. We hadden ook niet zo’n goede naam, denk ik. Bij ons kon veel toen.”
Gekkenwerk en zware tijden
Voorbeelden zijn er te over. Met heel veel drank op werden er wedstrijden gehouden tussen een tractor en een vrachtwagen, met een dikke ketting ertussen. Met een tapijt over de ketting voor de rondvliegende schakels. “Gekkenwerk, maar wel gruwelijk gelachen.” Pijnlijker was de actie ‘Schuimkraag’ van de Belastingdienst, een fiscale controle onder de horeca in 1980. “In die tijd waren we niet zo goed met de papierenwinkel. Ik was de kampioen voor de fiscus, maar ook dat is allemaal afgekocht en opgelost.” Ook de grote brand begin december 1984, waar ze ternauwernood levend uit kwamen, was een dieptepunt. Het is nooit duidelijk geworden hoe die ontstond, mogelijk had het iets te maken met de net nieuwe geluidsinstallatie. De zaal brandde tot de grond toe af. “Dat was in november, maar met carnaval waren we weer open. De mouwen opstropen, daar waren we altijd goed in.”
Feesten, motorcross en knokpartijen
Hoogtepunten waren er veel meer. De ontelbare feesten. Iedereen trouwde jarenlang bij ‘D’n Blommer’, wat betekende dat bruidsparen soms jaren van tevoren moesten reserveren. En dan was er nog de motorcross. Bruur was zelf jarenlang een fervent zijspancrosser, met bakkenist Ad van Galen, die toen ook in Loosbroek woonde. De hondensport tierde welig, net als het paardenvolk, waarbij de paarden soms met de teugels aan de bar in het café werden vastgezet. En er werd gevochten met crossvolk tijdens de vele wedstrijden op het terrein tegenover de kroeg. “Het was goed, maar rauw volk. Er viel weleens een klap. Eén keer ging het echt mis. Alle keuen werden kapotgeslagen, de ME moest komen, en er zat nergens meer een ruit in. Er was een feest in de zaal en daar kreeg zelfs iemand een hartaanval van. Zo ging het eraan toe. Echt oorlog.”
“Ge moet tevreje zen”
“Ik heb voor 180 jaar geleefd,” zegt de Bourgondiër. “Hard werken en hard genieten. Ik rook nog een pakje sigaretten per dag en lust nog graag een biertje. Of twee. Ik ga ook nog steeds op stap, zo vaak mogelijk zelfs. Op zaterdagavond naar De Hooghei, altijd gezellig. En afkloppen, maar ik kan alles nog. Al zeggen ze dat ik niet zo goed meer hoor, maar dat bevalt me wel. Ik hoef veel dingen ook niet meer te horen. En niet veel te doen ook. Als ik drie keer rond m’n huis loop, ben ik keikapot, maar dat doe ik dan ook niet,” lacht hij. “Ge moet tevreje zen. Ik kijk graag tv, vooral sport: voetbal, F1 en darten, dat vind ik leuk. En ik heb een vriendin die ik af en toe bezoek, of zij mij. Trouwen? Nee, dat nooit meer. De scheiding heeft me veel te veel geld gekost. Ik rommel wa hene, het is wel goed zo. Ik ga bijna elke dag met m’n trouwe Mercedes naar Stanserhorn, ik kan er altijd mee-eten. Maar ik ga ook dik efkus langs bij m’n andere twee dochters, die ook in Heeswijk-Dinther wonen. Ik ben graag weg en onder de mensen, maar Loosbroek is mijn thuis. Als ik herrie wil, rijd ik ernaartoe. Als ik rust wil, blijf ik thuis. Ideaal toch?”
Tekst: Mathieu Bosch | Foto: Wim Roefs