d’rob en d’r over

DE LÔSBROEKSE TÔRRE

Over twee weken is het weer zo ver, dan gaan de hendjes de lucht in, mag je weer op de keukendeur schrijven, is een bloemetjes gordijn weer stylish verantwoord, en staat er plots ‘een paard in de gang’. Want met carnaval heeft ons oma een stoma, is het geen probleem om worstjes op je borstjes te hebben, of je per se ‘sex met die kale’ moet willen is wel discutabel. En ‘Joke stop maar met koken’ want met carnaval eten we unne ‘nasibal’, een ‘broodje frikandel’ ‘hele grote bloemkolen’ of moeten we ‘effe wachten’ op de pizza. In de ‘Polonais Holandaise’ dan gaan we bij Hoevelaken linksaf maar als ‘ik moet zuipen’ dan geldt ‘glaasje op laat je rijden’. Misschien kom je ‘juffrouw Toos’ nog tegen en anders ‘Leo, Willempie, Anton aus Tirol of Arie van de wegenwacht’.

Dan zijn de ‘Brabantse nachten lang’, en ‘s-nachts na tweeën, is het ‘binnen beter dan buiten’ en ‘s morgens word je ‘wakker met een biertje in m’n hand’, en je voelt ‘unne spijker in munne kop’ dan denk je even ‘oh was ik maar bij moeder thuis gebleven’. Maar ‘s morgens verdwenen denk je ‘zallemenut nog een keertje overdoen’ want ‘het leven is goed in het brabantse land’. En we gaan niet in Oeteldonk naar ‘de oude Sint Jan’ maar blijven rond ‘de Losbroekse Torre’ want zoals de Loosbroekse carnvavalshit zegt; ‘De Lôsbroekese tôrre, die wèèst en die zi, dè ieder die ’t goewd ment, nor de zeuvenden himmel gi’.

Ik wens jullie een skonne carnaval!